accueil
plans d'études
les profs
grammaire
ecriture
littérature
faits divers
Fleurus
images
audio
liens

salles de classe:

1ère année
2me année
3me année
4me année
5me année
6me année

Nice - Promenade des Anglaisport de plaisancegrappe de raisinsCôte d'Azur

adjectifs et pronoms démonstratifs

 


 

 

 

 

pronoms

démonstratifs
personnels
possessifs


verbes
 

 

HET AANWIJZEND VOORNAAMWOORD

direct door naar:

bijvoeglijk gebruikt 

Om te weten welk aanwijzend voornaamwoord je gebruikt, moet je kijken naar het zelfstandig naamwoord dat er direct achter staat. Er zijn namelijk verschillende vormen voor mannelijk enkelvoud, vrouwelijk enkelvoud en (mannelijk en vrouwelijk) meervoud. Daarnaast is het van belang te weten dat er in het Frans geen aparte woorden zijn voor "deze/dit" en "die/dat".

 

  mannelijk enkelvoud* vrouwelijk enkelvoud meervoud
 

deze/
die/
dit/
dat
 

 

ce garçon
(deze jongen;
die jongen)

 

cette fille
(dit meisje;
dat meisje)

 

ces enfants
(deze kinderen;
die kinderen)


* Als een mannelijk enkelvoudig woord met een klinker of stomme h begint, gebruik je de volgende vorm van het aanwijzend voornaamwoord:

 

  mannelijk enkelvoud    
 

deze/
die/
dit/
dat
 

 

 

cet ami
(deze vriend;
die vriend)

 

 

 

Voor vrouwelijke enkelvoudige woorden die met een klinker of een stomme h beginnen, blijft de vorm van het aanwijzend voornaamwoord gewoon cette (cette amie, cette école). Het gaat bij een klinkerbotsing immers niet om wat je ziet, maar om wat je hoort. Het woord cette spreek je uit als [set], dus er is geen sprake van klinkerbotsing.

Zoals al eerder is opgemerkt, maakt het Frans geen onderscheid tussen iets wat zich dichtbij en iets wat zich verder van de spreker bevindt. Wil je daar toch duidelijk onderscheid in maken, dan kun je achter het zelfstandig naamwoord het achtervoegsel -ci toevoegen, als je iets aanwijst dat zich dichtbij je bevindt of -là als je iets aanwijst dat zich verder weg bevindt. In de regel zul je dit vooral doen als je twee dingen met elkaar vergelijkt:
 


Tu veux cette glace-ci ou cette glace-là?
Ce
vin-ci est meilleur que ce vin-là.
Cet
homme-ci est moins sympathique que cet homme-là.
Ces
messieurs-là sont arrivés plus tard que ces messieurs-ci.
 

Wil je dit ijsje of dat ijsje?
Deze wijn is lekkerder dan die wijn.
Deze man is aardiger dan die man.

Die heren zijn later aangekomen dan deze heren.

De volgende oefeningen kun je maken en zelf nakijken:

zelfstandig gebruikt


Als een bezittelijk voornaamwoord zelfstandig, d.w.z. zonder zelfstandig naamwoord, wordt gebruikt, zijn er steeds vier vormen:
 

mannelijk enkelvoud mannelijk enkelvoud vrouwelijk enkelvoud mannelijk meervoud vrouwelijk meervoud
 

deze/dit
 

die/dat

 

 

celui-ci
 

celui-là

 

celle-ci
 

celle-là

 

ceux-ci
 

ceux-là

 

celles-ci


celles-là


Tu veux cette glace-ci ou celle-là?
Ce vin-ci est meilleur que celui-là.
Ces jeunes filles sont plus sympas que celles-là.
Ces messieurs-là sont arrivés plus tard que ceux-ci.
 


Wil jij dit ijsje of dat?
Deze wijn is lekkerder dan die.
Deze meisjes zijn aardiger dan die.

Die heren zijn later aangekomen dan deze.

Deze zelfstandig gebruikte aanwijzende voornaamwoorden kunnen ook zonder de achtervoegsels
-ci
en -là gebruikt worden. Ze worden dan gevolgd door een bepaling die met het voorzetsel de begint, of gevolgd door een betrekkelijke voornaamwoord (qui, que, dont). In dit laatste geval worden de aanwijzende voornaamwoorden vaak vertaald met degene(n) of met wie:

Voilà mon vélo et celui de mon frère.            Daar staan mijn fiets en die van mijn broer.
C'est ta bicyclette, ça?
- Non, c'est celle de ma soeur.                      Is dat jouw fiets? - Nee, dat is die van mijn zus.
Ceux qui ont peur, ne doivent pas entrer.      Degenen die bang zijn, moeten niet naar binnen gaan.
                                                                    Wie bang is, moet niet naar binnen gaan.

 

De volgende oefeningen kun je maken en zelf nakijken:

idioom

Tenslotte een paar idioomzinnetjes met bezittelijke voornaamwoorden, om uit het hoofd te leren:


ceci, cela (ça)

ces derniers temps

de ce côté de la rue

en ce moment

à ce moment-là

de cette façon,
de cette manière

comme ci, comme ça

Ça ne fait rien.

C'est ça.

Ça y est.
 


dit, dat (zonder dat het op een bepaald woord slaat)

de laatste tijd

aan deze kant van de straat

op dit moment, op het ogenblik (nu)

op dat moment (toen, dan)

op die manier, zo


zozo, matig

Dat geeft niets.

Dat klopt. Zo is het.

Zo, dat was het.

 

 

Cette page a été mise à jour le 10-09-2008 21:00

contactez-nous par e-mail: