|
HET PERSOONLIJK
VOORNAAMWOORD
direct door naar:
plaats in de zin
|
Voor alle
persoonlijke voornaamwoorden die als lijdend of
meewerkend voorwerp worden gebruikt, gelden de volgende
regels:
|
-
Persoonlijke voornaamwoorden komen voor de
infinitief.
-
Als er geen infinitief is, komen persoonlijke
voornaamwoorden voor de persoonsvorm.
-
Bij een ontkenning gaat ne aan een
persoonlijk voornaamwoord vooraf.
-
In de gebiedende wijs bevestigend (dus niet
ontkend) komt het persoonlijk voornaamwoord achter
het werkwoord. Er komt dan een streepje tussen
werkwoord en voornaamwoord en me en te
veranderen in moi en toi.
|
Tu viens me
voir samedi?
Kom je me zaterdag opzoeken?
Tu me donnes un coup de fil?
Bel je me?
Je t’ai
appelé hier soir.
Ik heb je gisteravond gebeld.
Tu ne me
réponds pas?
Geef je me geen antwoord?
Je ne l’ai
pas vue.
Ik heb haar niet gezien.
Dis-le,
s’il te plaît.
Zeg het,
alsjeblieft.
(maar: Ne le dis pas, s’il te plaît.)
Prête-moi
ton vélo.
Leen me je fiets.
(maar: Ne me
prête jamais tes affaires! Leen me nooit je
spullen!) |
lijdend voorwerp
|
me (m’)
te (t’)
le (l’)
la (l’)
nous
vous
les |
Tu viens me
chercher à la gare? Kom je me
halen op het station?
Oui, je te
vois à midi. Ja, ik zie
je om twaalf uur.
Vous le
connaissez? Kent u hem?
Tu veux la
voir? Wil je
haar zien?
Tu peux nous
aider? Kun je ons
helpen?
Je ne vous
connais pas. Ik ken u
(jullie) niet.
Il les a rencontrés à Paris.
Hij heeft hen in
Parijs ontmoet. |
Denk eraan dat er in het Frans ook werkwoorden bestaan die een
lijdend voorwerp krijgen, terwijl ze in het Nederlands met een
voorzetsel worden gecombineerd. De belangrijkste zijn:
|
aimer
adorer
attendre
regarder
écouter |
Je l’aime beaucoup.
Ik houd veel van hem/haar.
Les enfants vous adorent.
De kinderen zijn dol op u.
Tu m’attends?
Wacht je op me?
Voici ta photo.
Regarde-la! Hier is je
foto. Kijk ernaar.
Vous allez les écouter, hein?
Jullie gaan naar hen luisteren, hè? |
De volgende oefeningen kun je maken en zelf nakijken:
meewerkend voorwerp
|
me (m’)
te (t’)
lui (hem, haar)
nous
vous
leur |
Tu m’écris?
Schrijf je me?
Je te donne cinq euros.
Ik geef je vijf euro.
Je lui ai prêté ma voiture.
Ik heb hem/haar mijn auto
geleend.
Vous nous
rendez notre argent? Geven jullie ons ons
geld
terug?
Je vous donne mon adresse. Ik geef
u/jullie mijn adres.
Je vais leur donner ma carte. Ik
zal hun mijn kaartje geven. |
De volgende oefeningen
kun je maken en zelf nakijken:
met nadruk: losstaand en na voorzetsels
|
moi
toi
lui
elle
nous
vous
eux
elles |
C’est à moi, ça!
Dat is van mij!
Qui a fait ça? Toi?
Wie heeft dat gedaan? Jij?
C’est pour lui.
Dat is voor hem.
Tu t’occupes d’elle?
Zorg jij voor haar?
Ils comptent sur nous.
Ze rekenen op ons.
J’ai besoin de vous.
Ik heb u/jullie nodig.
Pour eux c’est facile.
Voor hen is dat makkelijk.
J’y vais avec elles.
Ik ga er met hen heen. |
De volgende oefeningen kun je maken en zelf nakijken:
Denk eraan dat de combinatie à + persoon in het Frans
doorgaans wordt opgevat als een meewerkend voorwerp. De
belangrijkste uitzondering hierop is
penser à:
Tu vas téléphoner à tes parents? Oui, je vais
leur téléphoner. maar:
Tu penses à tes parents?
Oui, je
pense à eux.
De volgende oefeningen kun je maken en zelf nakijken:
IDIOOM
1
Tenslotte een paar idioomzinnetjes met persoonlijke
voornaamwoorden, om uit het hoofd te leren:
|
Attendez-moi! Attends-moi!
Je vous attends. Je t’attends.
Oui, je vous écoute.
Tu me manques.
Tu vas me manquer.
Dis-le!
Tu viens me voir?
Il me faut de la monnaie.
Ne le fais pas, s’il te plaît!
Passe-moi le sucre, s’il te plaît.
J’ai besoin de toi.
Je compte sur vous, d’accord?
C’est moi! C’est nous! C’est vous?
Ce sont eux.
Ce sont elles.
Moi aussi. Pas
toi?
Moi si. Moi
non plus. |
Wacht op mij!
Ik wacht op jullie/u. Ik wacht op
je.
Ja, zegt u het maar.
Ik mis je.
Ik ga je missen.
Zeg het!
Kom je me opzoeken?
Ik heb kleingeld nodig.
Doe het niet, alsjeblieft!
Geef me de suiker even door,
alsjeblieft.
Ik heb je nodig.
Ik reken op jullie, o.k.?
Ik ben het! Wij zijn het! Bent u
dat?
Zij zijn het.
Ik ook. Jij niet?
Ik wel. Ik ook niet. |
Het woordje en
|
Het Franse
woordje en wordt gebruikt in de volgende
gevallen: |
-
als een zinsdeel wordt vervangen dat begint met
het voorzetsel de. Het mag niet om een
persoon gaan.
-
Let op: het kan dus ook om een lijdend voorwerp
gaan, dat begint met een delend lidwoord (du, de
la, de l’, des)
-
als er een telwoord of een woord van hoeveelheid
wordt gebruikt. Het telwoord/woord van hoeveelheid
blijft dan staan. De rest van het zinsdeel wordt
vervangen door en.
|
Tu vas parler
du match d’hier?
- Oui, je vais en parler.
Ga jij praten over de wedstrijd van gisteren? – Ja,
daar ga ik over praten.
Vous avez de besoin de ma calculatrice? – Oui,
nous en avons besoin.
Hebben jullie mijn rekenmachientje nodig? – Ja,
dat hebben we nodig.
Tu as des tickets? – Oui, j’en ai.
Heb jij kaartjes? – Ja, die heb ik.
maar: Tu as les tickets? – Oui, je les
ai.
Heb jij de kaartjes? – Ja, ik heb ze.
Tu as un vélo? – Oui, j’en ai un.
Heb jij een fiets? – Ja, ik heb er een.
Moi, j’en ai deux. Ik heb er
twee.
|
De
volgende oefeningen kun je maken en zelf nakijken:
Om te weten wanneer je en moet gebruiken, moet je dus de
belangrijkste combinaties met het voorzetsel de kennen.
Hier volgt een aantal belangrijke voorbeelden:
|
avoir besoin
de
(nodig hebben)
être content
de
(tevreden zijn met)
parler de
(praten over)
être sûr de
(zeker zijn
van)
s’occuper de
(bezig zijn
met, zorgen voor) |
Tu as besoin
d’argent? – Oui, j’en ai besoin.
Vous êtes content
de mon travail? – Oui, j’en suis très
content.
Tu as déjà parlé
du match? – Oui, j’en ai déjà parlé.
Tu es sûr de ton succès? –
Oui, j’en suis sûr.
Tu t’occupes
des boissons? – Oui, je m’en occupe. |
Het
woordje y
|
Het Franse
woordje y wordt gebruikt in het volgende geval: |
|
als een
zinsdeel wordt vervangen dat begint met een ander
voorzetsel dan de (meestal à, dans of
sur). Het mag niet om een persoon gaan.
|
Tu comprends quelque chose à la
grammaire française? – Non, je n’y comprends
rien.
Begrijp jij iets van de Franse grammatica? –
Nee, ik begrijp er niets van.
Tu vas à Fleurus? – Oui, j’y vais.
Ga jij naar Fleurus? – Ja, ik ga daarheen. |
Ook
hier is het weer belangrijk dat je een aantal vaste constructies
met voorzetsels anders dan de kent:
|
répondre à
(beantwoorden)
compter sur
(rekenen op)
assister à
(bijwonen) |
Tu vas répondre
à ma lettre? – Mais bien sûr, je vais y
répondre.
Je peux compter
sur ton aide? – Oui, tu peux y compter.
Tu as assisté au concert? –
Oui, j’y ai assisté. |
De
volgende oefeningen kun je maken en zelf nakijken:
Twee persoonlijke voornaamwoorden in één zin
Wat moet je nu doen met de volgorde, als er meer dan één
persoonlijk voornaamwoord in één zin voorkomt? Daarvoor moet je
de volgende twee regels kennen:
|
In alle
gevallen behalve in de gebiedende wijs bevestigend,
geldt de volgende volgorde: |
|
me
te
se
nous
vous |
le
la
les |
lui
leur |
y |
en |
Voorbeelden: Je vais vous le dire.
Ik ga het u zeggen.
Il veut nous en parler.
Hij wil er met ons over praten.
Je le leur ai
dit. Ik heb
het hun gezegd.
Il n’y en a plus.
Er zijn er geen meer.
Ne m’en parle plus.
Praat me er niet meer over.
|
In de gebiedende wijs bevestigend
geldt de volgende volgorde: |
|
le
la
les |
moi (m’)
toi (t’)
lui
nous
vous
leur |
y |
en |
Voorbeelden: Dis-le-moi!
Zeg het mij!
Allons-nous-en!
Laten we weggaan!
De volgende oefeningen kun je maken en zelf nakijken:
IDIOOM 2
Tenslotte een paar idioomzinnetjes met persoonlijke
voornaamwoorden, om uit het hoofd te leren:
|
Il faut que
j’y aille!
J’en ai un.
Il n’y en a pas.
Il n’y en a plus.
Tu en veux?
Je m’en vais.
Vas-y. Allez-y.
Va-t’en! Allez-vous-en!
J’en ai besoin.
Tu m’en veux?
Je n’y comprends rien.
Tu t’en occupes?
On y va.
Tu veux en parler? |
Ik moet weg! (lett. ik moet erheen
gaan)
Ik heb er een.
Er is/zijn er geen. Er is/zijn er
geen meer.
Wil je wat?
Ik ga weg.
Ga je gang. Gaat uw gang.
Ga weg!
Ik heb het nodig.
Neem je het me kwalijk?
Ik begrijp er niets van.
Zorg jij daarvoor? Doe jij dat?
We gaan.
Wil je erover praten? |
Tenslotte nog enkele oefeningen om te controleren of je alles
goed begrepen hebt. Je kunt het zelf weer nakijken:
|