accueil
plans d'études
les profs
grammaire
ecriture
littérature
faits divers
Fleurus
images
audio
liens

salles de classe:

1ère année
2me année
3me année
4me année
5me année
6me année

Nice - Promenade des Anglaisport de plaisancegrappe de raisinsCôte d'Azur

pronoms personnels

 


 

 

 

 

pronoms

démonstratifs
personnels
possessifs


verbes
 

 

HET PERSOONLIJK VOORNAAMWOORD

direct door naar:

plaats in de zin

 

Voor alle persoonlijke voornaamwoorden die als lijdend of meewerkend voorwerp worden gebruikt, gelden de volgende regels:

 

  1. Persoonlijke voornaamwoorden komen voor de infinitief.

     
  2. Als er geen infinitief is, komen persoonlijke voornaamwoorden voor de persoonsvorm.

     
  3. Bij een ontkenning gaat ne aan een persoonlijk voornaamwoord vooraf.

     
  4. In de gebiedende wijs bevestigend (dus niet ontkend) komt het persoonlijk voornaamwoord achter het werkwoord. Er komt dan een streepje tussen werkwoord en voornaamwoord en me en te veranderen in moi en toi.

Tu viens me voir samedi?
Kom je me zaterdag opzoeken?

 
Tu me donnes un coup de fil?
Bel je me?

Je t’ai appelé hier soir.
Ik heb je gisteravond gebeld.

Tu ne me réponds pas?
Geef je me geen antwoord?

Je ne l’ai pas vue.
Ik heb haar niet gezien.

Dis-le, s’il te plaît.

Zeg het, alsjeblieft.
(maar: Ne le dis pas, s’il te plaît.)

Prête-moi ton vélo.
Leen me je fiets.

(maar: Ne me prête jamais tes affaires! Leen me nooit je spullen!)

 

lijdend voorwerp

 

me (m’)

te (t’)

le (l’)

la (l’)

nous

vous

les

Tu viens me chercher à la gare?            Kom je me halen op het station?

Oui, je te vois à midi.                            Ja, ik zie je om twaalf uur.

Vous le connaissez?                              Kent u hem?

Tu veux la voir?                                    Wil je haar zien?

Tu peux nous aider?                             Kun je ons helpen?

Je ne vous connais pas.                        Ik ken u (jullie) niet.

Il les a rencontrés à Paris.                     Hij heeft hen in Parijs ontmoet.

 

Denk eraan dat er in het Frans ook werkwoorden bestaan die een lijdend voorwerp krijgen, terwijl ze in het Nederlands met een voorzetsel worden gecombineerd. De belangrijkste zijn:

 

aimer

adorer

attendre

regarder

écouter

Je l’aime beaucoup[1].                         Ik houd veel van hem/haar.

Les enfants vous adorent.                     De kinderen zijn dol op u.

Tu m’attends?                                       Wacht je op me?

Voici ta photo. Regarde-la!                    Hier is je foto. Kijk ernaar.

Vous allez les écouter, hein?                 Jullie gaan naar hen luisteren, hè?

De volgende oefeningen kun je maken en zelf nakijken:

meewerkend voorwerp

 

me (m’)

te (t’)

lui (hem, haar)

 
nous


vous

leur

Tu m’écris?                                  Schrijf je me?

Je te donne cinq euros.                 Ik geef je vijf euro.

Je lui ai prêté ma voiture.             Ik heb hem/haar mijn auto
                                                    geleend.

Vous nous rendez notre argent? Geven jullie ons ons geld
                                                  terug?

Je vous donne mon adresse.       Ik geef u/jullie mijn adres.

Je vais leur donner ma carte.       Ik zal hun mijn kaartje geven.

 De volgende oefeningen kun je maken en zelf nakijken:

met nadruk: losstaand en na voorzetsels

 

moi

toi

lui

elle

nous

vous

eux

elles

C’est à moi, ça!                               Dat is van mij!

Qui a fait ça? Toi?                            Wie heeft dat gedaan? Jij?

C’est pour lui.                                 Dat is voor hem.

Tu t’occupes d’elle?                        Zorg jij voor haar?

Ils comptent sur nous.                   Ze rekenen op ons.

J’ai besoin de vous.                       Ik heb u/jullie nodig.

Pour eux c’est facile.                     Voor hen is dat makkelijk.

J’y vais avec elles.                         Ik ga er met hen heen.

De volgende oefeningen kun je maken en zelf nakijken:

Denk eraan dat de combinatie à + persoon in het Frans doorgaans wordt opgevat als een meewerkend voorwerp. De belangrijkste uitzondering hierop is penser à:

 

Tu vas téléphoner à tes parents?          Oui, je vais leur téléphoner.         maar:

Tu penses à tes parents?                     Oui, je pense à eux.

De volgende oefeningen kun je maken en zelf nakijken:

 

IDIOOM 1

Tenslotte een paar idioomzinnetjes met persoonlijke voornaamwoorden, om uit het hoofd te leren:

 

Attendez-moi! Attends-moi!

Je vous attends. Je t’attends.

Oui, je vous écoute.

Tu me manques.

Tu vas me manquer.

Dis-le!

Tu viens me voir?

Il me faut de la monnaie.

Ne le fais pas, s’il te plaît!

Passe-moi le sucre, s’il te plaît.

J’ai besoin de toi.

Je compte sur vous, d’accord?

C’est moi! C’est nous! C’est vous?

Ce sont eux. Ce sont elles.

Moi aussi. Pas toi?

Moi si. Moi non plus.

Wacht op mij!

Ik wacht op jullie/u. Ik wacht op je.

Ja, zegt u het maar.

Ik mis je.

Ik ga je missen.

Zeg het!

Kom je me opzoeken?

Ik heb kleingeld nodig.

Doe het niet, alsjeblieft!

Geef me de suiker even door, alsjeblieft.

Ik heb je nodig.

Ik reken op jullie, o.k.?

Ik ben het! Wij zijn het! Bent u dat?

Zij zijn het.

Ik ook. Jij niet?

Ik wel. Ik ook niet.

 

Het woordje en

Het Franse woordje en wordt gebruikt in de volgende gevallen:

  1. als een zinsdeel wordt vervangen dat begint met het voorzetsel de. Het mag niet om een persoon gaan.







     
  2. Let op: het kan dus ook om een lijdend voorwerp gaan, dat begint met een delend lidwoord (du, de la, de l’, des)




     
  3. als er een telwoord of een woord van hoeveelheid wordt gebruikt. Het telwoord/woord van hoeveelheid blijft dan staan. De rest van het zinsdeel wordt vervangen door en.

Tu vas parler du match d’hier?
- Oui, je vais en parler.
Ga jij praten over de wedstrijd van gisteren? – Ja, daar ga ik over praten.


Vous avez de besoin de ma calculatrice? – Oui, nous en avons besoin.
Hebben jullie mijn rekenmachientje nodig? – Ja, dat hebben we nodig.


Tu as des tickets? – Oui, j’en ai.
Heb jij kaartjes? – Ja, die heb ik.

maar: Tu as les tickets? – Oui, je les ai.
Heb jij de kaartjes? – Ja, ik heb ze.

 

Tu as un vélo? – Oui, j’en ai un.
Heb jij een fiets? – Ja, ik heb er een.
Moi, j’en ai deux. Ik heb er twee.


 

 De volgende oefeningen kun je maken en zelf nakijken:

Om te weten wanneer je en moet gebruiken, moet je dus de belangrijkste combinaties met het voorzetsel de kennen. Hier volgt een aantal belangrijke voorbeelden:

avoir besoin de
(nodig hebben)

être content de
(tevreden zijn met)

parler de

(praten over)

être sûr de

(zeker zijn van)

s’occuper de

(bezig zijn met, zorgen voor)

Tu as besoin d’argent? – Oui, j’en ai besoin.

 

Vous êtes content de mon travail? – Oui, j’en suis très content.

Tu as déjà parlé du match? – Oui, j’en ai déjà parlé.

 

Tu es sûr de ton succès? – Oui, j’en suis sûr.

 

Tu t’occupes des boissons? – Oui, je m’en occupe.

 

 Het woordje y 

Het Franse woordje y  wordt gebruikt in het volgende geval:

als een zinsdeel wordt vervangen dat begint met een ander voorzetsel dan de (meestal à, dans of sur). Het mag niet om een persoon gaan.



 

Tu comprends quelque chose à la grammaire française? – Non, je n’y comprends rien.
Begrijp jij iets van de Franse grammatica? – Nee, ik begrijp er niets van.
 
Tu vas à Fleurus? – Oui, j’y vais.
Ga jij naar Fleurus? – Ja, ik ga daarheen.

 Ook hier is het weer belangrijk dat je een aantal vaste constructies met voorzetsels anders dan de kent: 

répondre à
(beantwoorden)

compter sur
(rekenen op)

assister à

(bijwonen)

Tu vas répondre à ma lettre? – Mais bien sûr, je vais y répondre.

Je peux compter sur ton aide? – Oui, tu peux y compter.

Tu as assisté au concert? – Oui, j’y ai assisté.

 De volgende oefeningen kun je maken en zelf nakijken:

 

Twee persoonlijke voornaamwoorden in één zin

Wat moet je nu doen met de volgorde, als er meer dan één persoonlijk voornaamwoord in één zin voorkomt? Daarvoor moet je de volgende twee regels kennen:

In alle gevallen behalve in de gebiedende wijs bevestigend, geldt de volgende volgorde:

me

te

se

nous

vous

 

le

la

les

 

 

lui

leur

 

 

y

 

 

en

 

Voorbeelden:          Je vais vous le dire.                   Ik ga het u zeggen.

                              Il veut nous en parler.                Hij wil er met ons over praten.

                              Je le leur ai dit.                          Ik heb het hun gezegd.

                              Il n’y en a plus.                           Er zijn er geen meer.

                              Ne m’en parle plus.                    Praat me er niet meer over.

 

In de gebiedende wijs bevestigend geldt de volgende volgorde:

 

le

la

les

moi (m’)

toi (t’)

lui

nous

vous

leur

 

 

y

 

 

en

 

Voorbeelden:          Dis-le-moi!                       Zeg het mij!

                              Allons-nous-en!                Laten we weggaan!

 

De volgende oefeningen kun je maken en zelf nakijken:

 

IDIOOM 2

Tenslotte een paar idioomzinnetjes met persoonlijke voornaamwoorden, om uit het hoofd te leren:

 

Il faut que j’y aille!

J’en ai un.

Il n’y en a pas. Il n’y en a plus.

Tu en veux?

Je m’en vais.

Vas-y. Allez-y.

Va-t’en! Allez-vous-en!

J’en ai besoin.

Tu m’en veux?

Je n’y comprends rien.

Tu t’en occupes?

On y va.

Tu veux en parler?

Ik moet weg! (lett. ik moet erheen gaan)

Ik heb er een.

Er is/zijn er geen. Er is/zijn er geen meer.

Wil je wat?

Ik ga weg.

Ga je gang. Gaat uw gang.

Ga weg!

Ik heb het nodig.

Neem je het me kwalijk?

Ik begrijp er niets van.

Zorg jij daarvoor? Doe jij dat?

We gaan.

Wil je erover praten?

 Tenslotte nog enkele oefeningen om te controleren of je alles goed begrepen hebt. Je kunt het zelf weer nakijken:

 


 

[1] Zonder persoonlijk voornaamwoord zou je de volgende zinnen kunnen tegenkomen:
J’aime beaucoup mon père. (geen voorzetsel, dus lijdend voorwerp)
Nous attendons le bus. (idem). Je regarde la télé et j’écoute mon lecteur MP3. J’adore ça! (idem)


 

 

 

Cette page a été mise à jour le 10-09-2008 21:00

contactez-nous par e-mail: